<h2>Eenieder wordt geacht <strong>Strada lex</strong> te kennen</h2>

Archief +

Verplaatsingstijd en arbeidstijd bij mobiele werknemers

Samenvatting:

Moet de verplaatsingstijd van werknemers worden gezien als arbeidstijd in de zin van de Arbeidswet? En hoe werkt dit voor mobiele werknemers (zonder vaste werkplaats) tussen hun woon- en werkplaats en tussen verschillende werkplaatsen? Aan de hand van recente Antwerpse en Europese rechtspraak gaat dit artikel in op de discussie.

Trefwoorden:Arbeidstijd, verplaatsingstijd, Tyco-arrest, mobiel, werkplaats

  1. Wat is arbeidstijd?

 Artikel 19, eerste lid van de Arbeidswet omschrijft arbeidstijd als “de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever”(1). In de voorbereidende werken van de Arbeidswet wordt verduidelijkt dat dit wordt begrepen als de tijd gedurende dewelke (i) de werknemer niet vrij beschikt over zijn tijd, en (ii) mogelijks instructies kan ontvangen van de werkgever en dient uit te voeren(2).

Om te spreken van arbeidstijd is het bijgevolg niet vereist dat een werknemer effectief arbeidsprestaties levert, noch dat deze tijd gespendeerd wordt op de normale werkplaats van de werknemer(3). Het enige criterium dat gehanteerd dient te worden om te bepalen of iets arbeidstijd uitmaakt is of de werknemer ter beschikking van zijn werkgever staat.

Belangrijk verder is dat het derde lid van het eerder vermeld artikel 19 van de Arbeidswet in de mogelijkheid voorziet om, op verzoek van het bevoegd paritair comité, per koninklijk besluit(4) bepaalde arbeidstijden te neutraliseren. Deze mogelijkheid wordt beperkt tot personeel behorend tot de volgende drie sectoren of werknemersgroepen:

– de vervoerondernemingen;

– de werknemers tewerkgesteld aan vervoerwerken;

– de werknemers tewerkgesteld aan werken die hoofdzakelijk bij tussenpozen worden verricht.

Er zijn tal van koninklijke besluiten van kracht die gebruik maken van de mogelijkheid tot neutralisatie van arbeidstijd(5).

  1. Wanneer is verplaatsingstijd arbeidstijd?

Hoewel de wettelijke definitie van arbeidstijd eenvoudig genoeg lijkt, is de praktische toepassing ervan – onder meer – problematisch in het geval van verplaatsingstijd, d.i. de tijd die een werknemer spendeert aan het vervoer tussen zijn woon- en werkplaats en aan het vervoer tussen verschillende werkplaatsen.

Hoewel dit niet specifiek behandeld wordt in de arbeidswet, wordt algemeen aangenomen dat de normale verplaatsing naar of van een (of meerdere) vaste arbeidsplaats(en) geen arbeidstijd uitmaakt. De werknemer begeeft zich immers naar zijn arbeidsplaats in uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst. Dit standpunt vindt zijn oorsprong in de voorbereidende werken van de arbeidswet(6) en wordt sindsdien bevestigd in de rechtsleer(7) en de rechtspraak(8). Uitzonderlijk zal dit wel arbeidstijd zijn, bijvoorbeeld wanneer de werknemer verplicht en op verzoek van de werkgever een collega moet oppikken. In dat geval handelt hij immers op instructie van de werkgever en staat hij ter beschikking(9). Daarentegen is het uiteraard geen arbeidstijd indien het louter om een vriendendienst gaat.

Het is minder duidelijk of de verplaatsingstijd van werknemers tussen de woonplaats en een variabele arbeidsplaats, of tussen verschillende variabele arbeidsplaatsen, arbeidstijd uitmaken. Hierbij kan gedacht worden aan technici die vertrekken vanuit hun woonplaats en verschillende klanten per dag bezoeken. Klassiek wordt veelal voorgehouden dat deze verplaatsingstijd geldt als arbeidstijd indien een werknemer zich op instructie van de werkgever begeeft naar deze een variabele arbeidsplaats. Deze vraag werd ook behandeld in het ophefmakende Tyco-arrest van het Europees Hof van Justitie van 10 september 2015 dat technici betrof die installatie- en onderhoudswerkzaamheden dienden uit te voeren bij klanten. Na de afschaffing van de regionale kantoren door de werkgever, vetrokken deze technici vanuit hun woonplaats en keerden, na de laatste klant bezocht te hebben, ook terug naar hun woonplaats. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat de tijd die werknemers zonder vaste plaats van tewerkstelling besteden aan de verplaatsing tussen hun woonplaats en de locatie van de door de werkgever aangeduide klant, arbeidstijd is in de zin van de Europese regels inzake arbeidstijd. Hoewel dit arrest zonder meer belangrijk is, moet er evenwel rekening gehouden worden met de specifieke feitelijke omstandigheden van dit dossier. Zo kon de verplaatsingstijd naar een klant voor de technici van Tyco oplopen tot wel drie uur. Bovendien, werd – voor de afschaffing van de regionale kantoren door de werkgever – de verplaatsingstijd tussen de regionale kantoren en de eerste klant en terug van de laatste klant wél als arbeidstijd gezien. Daarnaast kregen de technici daags voor vertrek via een applicatie de route met de verschillende locaties die zij de volgende werkdag dienden te bezoeken en de tijdstippen waarop zij bij de klanten moesten zijn. Tot slot kon de volgorde van de te bezoeken klanten door de werkgever ook steeds gewijzigd worden(10). Het kan dan ook niet met zekerheid gesteld worden of het hof tot dezelfde conclusie zou gekomen zijn indien de technici tijdens hun verplaatsingen niet of in mindere mate geïnstrueerd konden worden door hun werkgever of, meer algemeen, indien de feitelijke omstandigheden anders waren.

In de Belgische doctrine vindt men veelal hetzelfde standpunt terug: indien de werknemer zich op instructie van de werkgever naar een variabele arbeidsplaats begeeft zal deze verplaatsingstijd arbeidstijd zijn. Een deel van de doctrine nuanceert dit door te argumenteren dat de verplaatsingstijd geen arbeidstijd uitmaakt indien het uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit dat de werknemer zich moet begeven naar variabele arbeidsplaatsen(11). De vraag kan echter gesteld worden of dit standpunt nog steeds houdbaar is, gelet op de bovenvermelde rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.

Een meerderheid van de Belgische rechtspraak paste reeds dezelfde redenering toe als het Europees Hof van Justitie wanneer het gaat om mobiele werknemers die naar verschillende klanten moeten gaan. Het weerkerende criterium is het feit dat de werknemer op instructie van de werkgever zich naar de variabele werkplaats begeeft, en dus ter beschikking staat van de werkgever(12). Voor bepaalde sectoren, zoals bijvoorbeeld de bouw, lijkt de Belgische rechtspraak echter te aanvaarden dat het hebben van een variabele arbeidsplaats inherent is aan de arbeidsovereenkomst, zodat de verplaatsingstijd geen arbeidstijd is(13).

De discussie omtrent verplaatsingstijd bij mobiele werknemers kwam uitdrukkelijk aan bod in het recente ophefmakende arrest van 17 april 2018 van het Arbeidshof te Antwerpen. Dit dossier betrof een echtpaar werknemers in de schoonmaaksector die doorheen de dag steeds andere klanten bezochten. De werknemers gingen daarbij rechtstreeks naar klanten zonder eerst langs de werkgever te passeren. De werkgever kende de werknemers een mobiliteitsvergoeding toe voor de verplaatsingen die ze deden, maar beschouwde de verplaatsingstijd niet als arbeidstijd. De werknemers kregen bijgevolg geen loon voor de verplaatsingstijd, noch werd deze in aanmerking genomen voor de berekening van overloon. Na afloop van de arbeidsovereenkomst stelden de werknemers een vordering in tot achterstallig (over)loon voor de verplaatsingstijd en dit gedurende de volledige periode van tewerkstelling. Zij beweerden dat de verplaatsingstijd van de woonplaats naar de eerste en laatste plaats van tewerkstelling en de tijd waarin zij zich tussen hun variabele werkplaatsen verplaatsten, arbeidstijd was. Het Arbeidshof volgde de argumentatie van de werknemers en beschouwde de verplaatsingstijd inderdaad als arbeidstijd. Het Arbeidshof verwees hierbij dit voor de eerste maal in de Belgische rechtspraak uitgebreid naar het bovenvermeld Tyco-arrest. Aangezien de verplaatsingstijd als arbeidstijd gezien werd door het Arbeidshof, moesten deze uren, alsook het achterstallig overloon, vergoed worden. Het Arbeidshof oordeelde bovendien dat, aangezien de werknemers buiten enige sectorale regeling vielen inzake de mobiliteitsvergoeding, voor de verplaatsingstijd hetzelfde loon moest worden betaald als voor effectieve arbeid. De werkgever werd hierdoor veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan achterstallige lonen. De werknemers werden op hun beurt veroordeeld tot terugbetaling van de onterecht ontvangen mobiliteitsvergoeding(14).

Hoewel de rechtspraak zowel op Europees als op Belgisch niveau overwegend lijkt aan te nemen dat verplaatsingstijd van mobiele werknemers arbeidstijd is, kan er echter niet besloten worden dat dit steeds het geval zal zijn. Er zal steeds een in concreto beoordeling gemaakt moeten worden afhankelijk van de mogelijkheid van de werknemer om tijdens deze verplaatsing instructies te ontvangen en om vrij te beschikken over zijn tijd om na te gaan of er al dan niet sprake is van arbeidstijd.

III. Hoe moet verplaatsingstijd worden vergoed?

Nauw verbonden met de vraag of verplaatsingstijd al dan niet arbeidstijd uitmaakt, is de vraag hoe deze vergoed dient te worden. Belangrijk is dat zelfs indien de verplaatsingstijd inderdaad arbeidstijd is, dit niet betekent dat deze op dezelfde wijze vergoed dient te worden als effectieve arbeidsprestaties. Een werknemer heeft immers geen recht op loon als tegenprestatie voor de aanwezigheid van de werknemer op de arbeidsplaats, maar wel voor de door de werknemer geleverde arbeidsprestaties(15). Er wordt dan ook aangenomen dat, hoewel het niet mogelijk is om conventioneel (bv. per collectieve arbeidsovereenkomst) te bepalen dat bepaalde arbeidstijd niet als dusdanig beschouwd zal worden, het wél mogelijk is om te bedingen dat er voor bepaalde arbeidstijd (bv. verplaatsingstijd) een lager loon betaald wordt of een forfaitaire vergoeding toegekend wordt(16).

In het licht daarvan, kan de vraag gesteld worden of het Arbeidshof te Antwerpen in het bovenvermeld arrest van 17 april 2018 na vast te hebben gesteld dat de verplaatsingstijd van de werknemers wel degelijk arbeidstijd uitmaakte terecht van mening was dat deze arbeidstijd op dezelfde wijze vergoed diende te worden als de effectieve arbeidsprestaties van de werknemers. Er kan immers geargumenteerd worden dat de aan de werknemers toegekende mobiliteitsvergoeding een conventioneel individueel bepaald lager loon voor verplaatsingstijd uitmaakte.

  1. Besluit

Ondanks de op het eerste zicht eenvoudig lijkende omschrijving van arbeidstijd als de tijd gedurende welke een werknemer ter beschikking van zijn werkgever staat, blijkt de toepassing ervan in de praktijk vaak problematisch. Een regelmatig terugkomend twistpunt betreft de vraag of verplaatsingstijd afgelegd door een werknemer arbeidstijd betreft. Aangenomen wordt dat de verplaatsing van de werknemer tussen diens de woonplaats en één (of meerdere) vaste werkplaats(en) géén arbeidstijd uitmaakt. De verplaatsingstijd van werknemers tussen de woonplaats en een variabele arbeidsplaats en tussen verschillende variabele arbeidsplaatsen arbeidstijd, daarentegen, wordt daarentegen veelal wel gezien als arbeidstijd. Toch zal er steeds een in concreto analyse gemaakt moeten worden van de exacte omstandigheden van de verplaatsingstijd om te oordelen of de werknemer al dan niet ter beschikking van de werkgever staat. Wat de vergoeding van als arbeidstijd gekwalificeerde verplaatsingstijd betreft, is het belangrijk op te merken dat deze niet steeds op dezelfde wijze vergoed dient te worden als effectieve arbeidsprestaties.

 

Sam Conix

 

Noten

(1) Arbeidswet van 16 maart 1971, BS 30 maart 1971, 3.931.

(2) Parl.St. Senaat 1963-64, nr. 287, 19: “le travailleur est considéré comme effectuant un travail lorsqu’il est aux ordres de l’employeur, c’est-à-dire lorsqu’il met son activité à la disposition de ce dernier. Est donc exclu du temps de travail le temps de présence dont le travailleur peut disposer librement sans avoir à attendre un appel imprévu dont la possibilité continuelle le maintiendrait sans interruption à la disposition de l’employeur ou sans avoir à exercer une besogne accessoire (p. ex. surveillance).

(3) F. Blomme, Arbeidstijdwetgeving in de private sector. Dossier verplaatsingstijd, Brugge, Vanden Broele, 2015, 4-5; Arbh. Luik 15 januari 2010, JLMB 2010, afl. 31, p. 1448, noot F. Kéfer; Arbh. Brussel 21 maart 1988, Soc.Kron. 1989, 46; JTT 1988, 207.

(4) Een (sectorale) collectieve arbeidsovereenkomst, zelfs als deze bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaard werd, kan een dergelijke neutralisering niet instellen. Zie hierover: F. Blomme, Arbeidstijdwetgeving in de private sector. Dossier verplaatsingstijd, Brugge, Vanden Broele, 2015, 4-5; M. Jamoulle, E. Geerkens, G. Foxhal, F. Kéfer en S. Bredael, Le temps de travail. Transformation du droit et des relations collectives de travail, Brussel, CRISP, 1997, p. 133.

(5) Zie voor een overzicht van deze koninklijke besluiten F. Blomme, Arbeidstijdwetgeving in de private sector. Dossier verplaatsingstijd, Brugge, Vanden Broele, 2015, 120-150.

(6) Parl.St. Senaat 1970-71, doc. 272, 8; Vr. en Antw. Kamer 1967-68, 5 januari 1968, nr. 7, 407 (Vr. nr. 26 Magnez).

(7) F. Blomme, Arbeidsduur in de private sector – rigiditeit en flexibiliteit, Brugge, Vanden Broele, 2011, 170; M. Dagavle, “Aller au travail est-ce déjà du travail?” in X., La loi sur le travail. 40 ans d’application de la loi du 16 mars 1971, Limal, Anthemis, 2011, 406; M. Davagle, “Travailleur: être à la disposition de l’employeur”, Or. 2000, 8; O. Vanachter, “De arbeidstijd”, Or. 1997, afl. 2, p. 43; S. Demeestere, “De arbeidsduurgrenzen voor overloon onder de loep genomen”, Or. 2007, afl. 1, p. 2; J. Daems en J. Vanthournout, “Durée du travail et sursalaire”, Kluwer, 2005, p. 26.

(8) Arbh. Antwerpen 3 oktober 1985, JTT 1986, p. 165; Arbh. Luik 15 januari 2010, JLMB 2010, p. 1.448, noot F. Kéfer; Arbh. Antwerpen 28 maart 2007, 2060335, www.socialweb.be.

(9) Cass. 13 april 1992, Soc.Kron. 1992, 300; Arbh. Gent 28 juni 1979, JTT 1981, 110.

(10) HvJ 10 september 2015, C-266/14.

(11) M. Davagle, “Aller au travail est-ce déjà du travail?” in X., La loi sur le travail. 40 ans d’application de la loi du 16 mars 1971, Limal, Anthemis, 2011, 416; F. Blomme, Arbeidswetgeving in de private sector – dossier verplaatsingstijd, Brugge, Vanden Broele, 2015, 44-45 en 67.

(12) Arbrb. Brussel 12 november 1990, JTT 1990, 108; Arbh. Brussel 22 november 1996, Soc.Kron. 1999, 18; Arbh. Gent 16 maart 1992, JTT 1993, 29; Arbh. Luik 15 januari 2010, Soc.Kron. 2011, 305.

(13) Arbh. Luik 8 november 1991, TSR 1993, 375; Arbh. Luik 22 oktober 1982, AR 7.207/79; Arbh. Luik 10 oktober 1983, AR 7.955/80; Arbh. Luik 19 april 2006, Soc.Kron. 2008, 306.

(14) Arbh. Antwerpen 17 april 2018, AR nr. 2017/AA/141, Nieuwsbrief voor Arbeidsrecht nr. 2018/5, KU Leuven Instituut voor Arbeidsrecht.

(15) Cass. 16 maart 1992, Arr.Cass. 1991-92, p. 684; M. De Vos, Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu, 2001, p. 854-55; S. Bouzoumita en I. De Wilde, “Het Hof van Justitie en het begrip arbeidstijd”, Or. 2004, p. 164.

Strada lex is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Groep Larcier