<h2>Eenieder wordt geacht <strong>Strada lex</strong> te kennen</h2>

Archief +

Miskenning van het beroepsgeheim en Antigoon

1. Het gebruik in strafzaken van door miskenning van het beroepsgeheim verkregen informatie wordt niet meer zonder meer afgewezen. Onregelmatig of onwettig verkregen bewijs mag immers maar worden genegeerd, wanneer het gebruik ervan de Antigoon-toets niet doorstaat. Hierbij is het recht op een eerlijk proces van doorslaggevend belang. Wanneer wordt geoordeeld dat de verkregen informatie niet kan dienen als bewijs, rijst vervolgens de vraag naar de sanctie: moet de strafvordering onontvankelijk worden verklaard of kan worden volstaan met de wering uit het debat van het onregelmatig verkregen bewijs?

2. Met het arrest van 14 oktober 2003[1], dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 april 2003[2]mutatis mutandis overneemt, wijzigt het Hof van Cassatie fundamenteel zijn sinds zeer lange tijd gevestigde rechtspraak over het onregelmatig bewijs. Tot dan en sinds 1923 werd systematisch in de regel elk op onregelmatige wijze verkregen bewijs geweerd.

In dit mijlpaal-arrest en de latere rechtspraak geeft het Hof van Cassatie de criteria aan waaraan de rechter het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs moet toetsen. Het onregelmatig bewijs moet worden gebruikt, tenzij de wetgever de nietigheid ervan bepaalt, de betrouwbaarheid van het bewijs door de begane onregelmatigheid is aangetast of het recht op het eerlijk proces erdoor is geschaad. Het Hof van Cassatie voorziet voor het derde criterium in een aantal sub-criteria of omstandigheden, die in overweging kunnen worden genomen wanneer de begane onregelmatigheid aan de miskenning van het recht op een eerlijk proces wordt getoetst. Bij de beoordeling of dit recht werd miskend kan de rechter de volgende omstandigheden geheel of gedeeltelijk in aanmerking nemen, namelijk:

  • werd de onregelmatigheid opzettelijk of wegens een niet te verontschuldigen onachtzaamheid begaan of betreft het eerder een vergissing of een nalatigheid;
  • overstijgt de ernst van het misdrijf veruit de begane onregelmatigheid;
  • betreft het onregelmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het misdrijf;
  • is de impact van de begane onregelmatigheid op het miskende grondrecht eerder beperkt;
  • heeft de onregelmatigheid eerder een formeel karakter.

Artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering geeft een wettelijke grondslag aan deze doctrine.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verklaart deze Antigoon-doctrine in overeenstemming met het EVRM[3]. Het Hof voor de Rechten van Mens geeft in deze arresten ook invulling aan het recht op een eerlijk proces. Begrepen in het recht op een eerlijk proces zijn onder meer het zwijgrecht, het vermoeden van onschuld, de tegenspraak en het recht van verdediging. Ook in aanmerking te nemen zijn de objectiviteit van het onderzoek en de wapengelijkheid tussen partijen. De beoordeling gebeurt telkenmale in concreto en over het geheel van de procedure.

Ook het Grondwettelijk Hof schaart zich achter de Antigoon-doctrine[4].

3. Ook vóór Antigoon was het beroepsgeheim niet absoluut en had het recht van verdediging voorrang. Het beroepsgeheim kan geen nadelige gevolgen hebben voor de drager van en de beschermde door het beroepsgeheim. Voor zijn verdediging mag de houder van het beroepsgeheim de hem toevertrouwde geheimen openbaar maken, doch enkel tot wat noodzakelijk is voor zijn verdediging[5]. Ook de door het beroepsgeheim beschermde persoon kan deze geheimen openbaar maken[6].

Ook het slachtoffer van een misdrijf kan de vaststellingen en de verklaringen van de arts of de advocaat aanwenden om een strafrechtelijke vervolging en veroordeling te verkrijgen van de dader ervan. Dit geldt ook wanneer de dader van dat misdrijf de houder van het beroepsgeheim zelf is. Beroepsmisdrijf sluit beroepsgeheim uit[7].

4. Ook buiten deze gevallen mag de rechter informatie verkregen door miskenning van het beroepsgeheim niet alleen daarom van elk gebruik uitsluiten. Hij zal toepassing moeten maken van Antigoon. De wetgever heeft niet in een nietigheidsanctie voorzien voor het bewijs verkregen uit of door miskenning van het beroepsgeheim. Evenmin zal de betrouwbaarheid van de aldus verkregen informatie in de regel aan de orde zijn. Als voornaamste, zoniet enige toetssteen, blijft bijgevolg het recht op een eerlijk proces over.

De vraag rijst of de enkele miskenning van het beroepsgeheim niet de miskenning van het recht op eerlijk proces met zich brengt. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch oordeelde in zijn conclusie bij het arrest van het Hof van Cassatie van 2 maart 2005[8] dat de verzachting van de gevolgen van onregelmatigheden bij de bewijsverkrijging door de Antigoon-leer geen betrekking kan hebben op de miskenning van bepaalde grondrechten, zoals het beroepsgeheim en dat daarom de sanctie van de bewijsuitsluiting moet behouden blijven. Nochtans is het beroepsgeheim niet absoluut en moet, naar het oordeel van de advocaat-generaal, voor de toelaatbaarheid van het bewijs voortspruitend uit de miskenning ervan worden getoetst aan het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals verankerd in artikel 8 EVRM. Deze precisering, die het arrest niet volgt, werd uitgesloten door de wetgever, die alleen een toetsing aan het recht op een eerlijk proces heeft aangenomen.

Onduidelijk blijft waarom en waardoor de miskenning van het beroepsgeheim uit zijn aard gelijk te stellen is met een miskenning van het recht op een eerlijk proces. Het medisch beroepsgeheim waarborgt de toegankelijkheid tot de gezondheidszorg en het vertrouwen in de gezondheidsdiensten. Het wordt gegrond op de menselijke waardigheid. Ook voor de andere houders van het beroepsgeheim moet het beroepsgeheim dit vertrouwen in de door hen aangeboden diensten waarborgen. Het heeft zowel een publiek als een privaat belang. Maar deze door het beroepsgeheim gediende belangen of de fundamentele waarden en rechten waarop de beroepsgeheimen van de onderscheiden houders ervan steunen, zijn in de regel vreemd aan het recht op een eerlijk proces.

Alleen voor het beroepsgeheim van een advocaat kan, vooral in strafzaken, aan de tegenovergestelde stelling worden vastgehouden, “wanneer de vertrouwelijke informatie aan de advocaat is meegedeeld door zijn cliënt en voor die laatste mogelijkerwijs incriminerend is”, rekening houdend met de bijzonderheden die het beroep van advocaat kenmerken ten opzichte van de andere houders van het beroepsgeheim[9]. Dit raakt dan het recht van verdediging en dus het recht op een eerlijk proces, maar het incriminerende karakter van de informatie medegedeeld aan een houder van het beroepsgeheim die geen advocaat is, is natuurlijk niet afdoende om de miskenning van het beroepsgeheim gelijk te stellen met de miskenning van het recht op een eerlijk proces.

5. Hoe belangrijk sommige grondrechten ook zijn, de bewijsuitsluiting lijkt de meest aangewezen sanctie bij niet-eerbiediging ervan, na toepassing van de Antigoon-leer[10]. Ook wanneer de onregelmatige informatie enkel dienstig was ter oriëntering en verdere uitbouw van het strafonderzoek is de sanctie niet de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. De strafvordering ontstaat immers door het zich voordoen van de feiten, die als een misdrijf kunnen worden gekwalificeerd.

6. Het behoeft geen betoog dat in het bijzonder van de overheid mag worden verwacht dat bij het opsporen van misdrijven en het verzamelen van bewijs overeenkomstig de wet en dus rechtmatig en regelmatig wordt opgetreden. Antigoon doet hieraan geen afbreuk en laat dan ook uiteraard geenszins toe dat minder zorgvuldig zou worden omgegaan met het beroepsgeheim, dat alleen niet dienstig mag zijn ter toedekking van gepleegde misdrijven. Alleen wanneer deze misdrijven aan het licht komen en bewezen worden door een miskenning van het beroepsgeheim waardoor ook het recht op een eerlijk proces van de dader in het gedrang komt, moet deze informatie worden geweerd uit het debat.

De eerbiediging van het beroepsgeheim wordt niet efficiënt gewaarborgd door het eruit voortgekomen bewijs in de regel nietig te verklaren of te weren uit het debat in een strafrechtelijke procedure. Deze sanctie laat de miskenner van het beroepsgeheim ongemoeid, terwijl deze sanctie wel een niet te verantwoorden bonus oplevert voor de daders van die misdrijven en de slachtoffers en de maatschappij bovendien in een niet te vatten leemte achterlaten.

Dat het aanvaarden als bewijs van door de politiediensten op onregelmatige wijze verkregen informatie afbreuk doet aan de integriteit van de overheid en van Justitie en daardoor ook haar geloofwaardigheid uitholt, is een vaststaand gegeven. Hieraan wordt evenwel niet geremedieerd door daders vrij te spreken wanneer hun schuldigverklaring op dergelijke informatie is gestoeld. Integendeel, misschien brengt deze remedie de integriteit en de geloofwaardigheid van justitie nog wel meer in het gedrang.

Peter HOET
Raadsheer in het Hof van Cassatie

De auteur van deze bijdrage is één van de sprekers op ons colloquiumDe uitholling van het beroepsgeheim?” (22 november 2018 te Gent). Tijdens dit colloquium wordt bekeken hoe de figuur ‘beroepsgeheim’ er vandaag uitziet, en hoe de practicus ermee moet omgaan. De sprekers focussen elk vanuit hun specialiteit op de actuele vraagstukken en komen tot een slotsom tijdens een panelgesprek. Info en inschrijvingen: www.larciergroup.com.

+*+*+*+

NOTEN

[1] Arr.Cass. 2003, p. 1862, nr. 499, concl. Adv. Gen. M. De Swaef.
[2] Antwerpen 11 april 2003, RABG 2004, afl. 6, 334.
[3] EHRM 28 juli 2009, nr. 18704/05, Lee Davies / België; EHRM 31 januari 2017, nr. 40233/07, Kalnènienè / België.
[4] GwH 22 december 2010, nr. 158/2010; GwH 27 juli 2011, nr. 139/2011.
[5] Cass. 18 januari 2017, nr. P.16.0626.F, concl. Adv. Gen. M. Nolet de Brauwere, RDPC 2017, 630.
[6] Cass. 3 november 2015, nr. P.15.0232.N, onuitg.; Cass. 17 november 2015, nr. P.15.0880.N, Arr.Cass. 2015, p. 2656, nr. 684.
[7] Cass. 17 november 2015, nr. P.15.0880.N, Arr.Cass. 2015, p. 2656, nr. 684.
[8] Cass. 2 maart 2005, RABG 2005, afl. 13, 1166.
[9] GwH 26 september 2013, nr. 127/2013: ro. B.31.2.
[10] Cass. 25 november 2014, nr. P.14.0948.N, Arr.Cass. 2014, p. 2717, nr. 724; Cass. 28 februari 2017, T.Strafr. 2017, 263.

Miskenning van het beroepsgeheim en Antigoon

Samenvatting
Het bewijs in strafzaken dat verkregen werd door miskenning van het beroepsgeheim, mag alleen worden uitgesloten na toepassing van de Antigoon-toets en dus wanneer ook het recht op een eerlijk proces wordt miskend.

Trefwoorden

  • Bewijs in strafzaken
  • Onregelmatig verkregen bewijs
  • Miskenning beroepsgeheim
  • Antigoon

Datum

  • Datum van publicatie : 08/10/2018

Auteur(s)

  • Hoet, P.
    Peter Hoet is Raadsheer in het Hof van Cassatie, zetelend in de strafkamer. Na een carrière als advocaat, was hij tevens rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt en raadsheer in  het Hof van Beroep te Antwerpen.

Verwijzing

Hoet, P., « Miskenning van het beroepsgeheim en Antigoon », Actua Leges, n° 2018/64
 
 
Strada lex is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Larcier