<h2>Eenieder wordt geacht <strong>Strada lex</strong> te kennen</h2>

Archief +

Start procedure sociale verkiezingen 2020 . Lessen uit de rechtspraak van 2016

Op 13 december 2019 start de 150 dagen durende procedure richting de sociale verkiezingen van 2020. Deze procedure leidt traditioneel tot betwistingen en processen. Dit was ook zo bij de vorige verkiezingen. Olivier Wouters en Henri-François Lenaerts geven raad voor 2020, door terug te blikken naar de rechtspraak die volgde op de verkiezingen van 2016.

 

***

De volgende vierjaarlijkse sociale verkiezingen van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk zullen plaatsvinden van 11 tot en met 24 mei 2020. Aan de verkiezingsdag gaat een strikt te volgen procedure van 150 dagen vooraf, die dus reeds start in december 2019. De procedure van de sociale verkiezingen leidt doorgaans tot een reeks betwistingen en gerechtelijke procedures. Dit was ook het geval voor de sociale verkiezingsprocedure van 2016. Deze rechtspraak werd in kaart gebracht door Henri-François Lenaerts en Olivier Wouters, beiden advocaat-vennoot bij het kantoor Claeys & Engels. In deze bijdrage wordt ingegaan op de vier grote betwistingsrondes waarin de verkiezingswetgeving voorziet.

***

  1. Vervroeging van de referteperiode zal leiden tot rechtszekerheid

Het initiatief om de sociale verkiezingen te organiseren ligt bij de werkgever. Zowel in de wet van 20 september 1948 (voor wat de ondernemingsraad betreft) als in de wet van 4 augustus 1996 (voor wat het preventiecomité betreft) wordt bepaald dat de ondernemingsraad resp. het preventiecomité ingesteld wordt op het niveau van de ‘onderneming’, die gedefinieerd wordt als de technische bedrijfseenheid (TBE), bepaald op grond van de economische en sociale criteria. Wanneer de TBE gewoonlijk gemiddeld minstens 50 werknemers tewerkstelt, moeten verkiezingen georganiseerd worden voor het preventiecomité. Vanaf 100 werknemers moeten ook verkiezingen georganiseerd worden voor de ondernemingsraad. De wetgever heeft voor de sociale verkiezingen van 2020 de referteperiode vervroegd. De referteperiode loopt van 1 oktober 2018 tot en met 30 september 2019. Hiervoor komen werknemers die tewerkgesteld worden met een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst in aanmerking. Daarnaast komen ook uitzendkrachten in aanmerking. Ook voor hen werd de referteperiode vervroegd. Voor de uitzendkrachten moet rekening worden gehouden met het tweede trimester van 2019. Dit geldt niet voor uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen, aangezien de vervangen werknemers reeds meetellen in de berekening.

Dankzij de vervroeging van de referteperiode weet elk bedrijf uiterlijk op 1 oktober 2019 of het in december 2019 al dan niet de verkiezingsprocedure moet opstarten. Deze vervroeging van de referteperiode zal er hopelijk voor zorgen dat werkgevers zich niet meer zullen kunnen vergissen. Bij vorige verkiezingsedities kwam het voor dat een werkgever de verkiezingsprocedure in december had opgestart, maar vervolgens echter vaststelde dat hij niet voldeed aan de minimale personeelssterkte. Dit kwam omdat de referteperiode afliep in december, terwijl de procedure al moest opgestart worden in december. De werkgever zal dankzij de vervroegde referteperiode voldoende tijdig een zicht hebben op de gemiddelde tewerkstelling in zijn onderneming om te oordelen of hij de procedure moet opstarten in december 2019 (aankondigingen van dag X‑60). Dit zal de rechtszekerheid ten goede komen. In 2016 ging immers een handvol betwistingen voor de arbeidsrechtbanken (Antwerpen, Brussel, Charleroi, Dendermonde, Mechelen, Veurne) over de vraag of de werkgever die de verkiezingsprocedure opgestart heeft, deze vervolgens nog eenzijdig mag stopzetten wanneer hij tot de vaststelling komt dat hij niet voldoet aan de minimale personeelssterkte.

  1. Vier betwistingsrondes

Op verschillende tijdstippen van de verkiezingsprocedure kunnen zich betwistingen voordoen. Indien de betwisting niet binnen de onderneming kan worden beslecht, is het mogelijk een beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank. Deze procedures worden gekenmerkt door zeer korte termijnen en het gegeven dat de vonnissen van de arbeidsrechtbanken in het gros van de gevallen niet vatbaar zijn voor hoger beroep noch verzet.

Sinds de verkiezingen van 2016 zijn de beroepstermijnen geïntegreerd in de Verkiezingswet van 4 december 2007 (zoals het meest recent gewijzigd door de Wet van 4 april 2019 tot wijziging van de Wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, van de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, BS 30 april 2019 (hierna ‘de Verkiezingswet’)). De beroepstermijnen maken dus niet langer deel uit van een afzonderlijke wet (voorheen: de Wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen, zoals gewijzigd door de Wet van 28 juli 2011, BS 12 september 2011).

De eerste betwistingsronde

Op dag X‑60 (die valt in de periode die loopt van 13 tot en met 26 december 2019) maakt de werkgever de omschrijving van de TBE bekend, alsook de lijst met de leidinggevende functies en, voor wat de ondernemingsraad betreft, de lijst met kaderleden.

Deze mededelingen kunnen het voorwerp uitmaken van een interne raadpleging tot dag X‑35 (die valt in de periode die loopt van 7 tot en met 20 januari 2020), de datum waarop de werkgever, wat deze punten betreft, zijn beslissing neemt.

Elke betrokken werknemer of syndicale organisatie kan, uiterlijk op dag X‑28 (die valt in de periode tussen 14 en 27 januari 2020), elk van deze drie beslissingen betwisten voor de arbeidsrechtbank. De arbeidsrechtbank dient in principe een vonnis te vellen uiterlijk op dag X‑5 (die valt in de periode tussen 6 en 19 februari 2020).

De eerste betwistingsronde kent klassiek het hoogste aantal geschillen. Ook in 2016 ging het gros van de betwistingen over de afbakening van de technische bedrijfseenheid. De principes uit de vroegere rechtspraak werden opnieuw bevestigd (zoals o.a. de in aanmerking te nemen economische en sociale criteria, de werking van het wettelijk vermoeden om verschillende juridische entiteiten samen te voegen tot één TBE, de verschillende invulling van de TBE voor de ondernemingsraad versus het CPBW, het belang van de werknemers, enz.). Ook de concrete invulling van de definities van het ‘leidinggevend personeel’ en van het ‘kaderpersoneel’ leidde opnieuw tot een belangrijk aantal betwistingen.

De tweede betwistingsronde

Op dag X (die valt in de periode die loopt van 11 tot en met 24 februari 2020) plakt de werkgever onder meer de kiezerslijsten, het aantal mandaten per orgaan en per personeelscategorie aan, alsook de namen van de personen die een leidinggevende functie of een functie als kaderlid bekleden.

Een werknemer of een vakorganisatie kan intern een klacht indienen tegen wat wordt aangeplakt. Dit moet ingediend worden bij het orgaan dat de beslissing genomen heeft, uiterlijk op dag X+7 (die valt in de periode die loopt van 18 februari tot en met 2 maart 2020), en bij gebrek aan een dergelijk orgaan, bij de werkgever, die uiterlijk op dag X+14 (die valt in de periode die loopt van 25 februari tot en met 9 maart 2020) een beslissing moet nemen. Bij gebrek aan een beslissing binnen die termijn of indien de beslissing ongunstig is, kan elke betrokken werknemer of vakorganisatie een beroep instellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank, uiterlijk op dag X+24 (die valt in de periode die loopt van 3 tot en met 16 maart 2020). De rechtbank moet in principe een vonnis vellen uiterlijk op dag X+28 (die valt in de periode die loopt van 10 tot en met 23 maart 2020). Het instellen van een beroep bij de arbeidsrechtbank wordt dus afhankelijk gemaakt van de vraag of eerst intern bezwaar werd ingediend.

Net zoals bij de vorige verkiezingsedities, werd ook in 2016 door de rechtspraak het belang van de na te leven chronologie van de dubbele betwistingsprocedure benadrukt voor wat betreft de ‘leidinggevende functies’ en ‘kaderfuncties’. Enkel tijdens de eerste betwistingsronde (dus rond X‑35) kan een betwisting gevoerd worden of een functie kwalificeert als ‘leidinggevende functie’ of ‘kaderfunctie’. Pas in de tweede betwistingsronde staat centraal de vraag of iemand de functie bekleedt die in de eerste fase gekwalificeerd werd als ‘leidinggevende functie’ of ‘kaderfunctie’. Die kwalificatie staat immers vast na het verstrijken van de beroepstermijn (dus na dag X‑28). Voor wat betreft de sociale verkiezingen van 2020 heeft de wetgever de procedure op dit vlak niet gewijzigd. Het lijkt ons nochtans wenselijk om de procedure te vereenvoudigen door slechts één enkele beroepsmogelijkheid te voorzien, die zowel betrekking heeft op de omschrijving van de functies als op de lijst van de namen van de personen die deze functies uitoefenen. Uit de rechtspraak blijkt immers dat de twee betwistingen regelmatig door elkaar worden gehaald.

De derde betwistingsronde

De derde betwistingsronde betreft geschillen omtrent de kandidatenlijsten. Voor alle personeelscategorieën (d.w.z. arbeiders, bedienden, kaderleden en jeugdige werknemers) kunnen de kandidatenlijsten ingediend worden door de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties (d.w.z. ABVV, ACLVB, ACV). Bij vorige verkiezingsedities leidde dit 'monopolie' tot een uitgebreide betwisting, aangestuurd door het Vlaams Belang, met meerdere debatten voor de arbeidsrechtbanken, het Hof van Cassatie evenals het Grondwettelijk Hof. Deze vorderingen werden allen afgewezen. Ook bij de laatste sociale verkiezingen van 2016 werd het autonoom recht van de vakorganisaties om hun kandidaten vrij te kiezen bevestigd in de rechtspraak.

Sedert de sociale verkiezingen van 2004 kunnen deze organisaties ook een volmacht geven aan hun beroepscentrales of gewestelijke verbonden. Ze mogen echter slechts één volmacht geven voor één enkele kandidatenlijst per werknemerscategorie waaraan één of meerdere mandaten werden toegekend (dus jeugdige werknemers, arbeiders, bedienden of kaderleden).

Voor de ondernemingsraad kunnen, wanneer er een afzonderlijk kiescollege voor kaderleden is, de kandidatenlijsten voor deze categorie daarenboven worden ingediend door een representatieve kaderledenorganisatie (vandaag alleen de NCK). Daarnaast kan hiervoor ook een zgn. 'interne kaderlijst' worden ingediend voor zover ten minste 10% van het aantal kaderleden van de onderneming deze lijst ondersteunt. Indien het aantal kaderleden minder dan 50 bedraagt, dan moeten minstens vijf kaderleden de lijst ter ondersteuning ondertekenen. Wanneer het aantal kaderleden minder dan 100 bedraagt, moeten minstens 10 kaderleden de lijst ter ondersteuning ondertekenen. Er zij opgemerkt dat een kaderlid slechts één interne lijst mag ondersteunen.

De kandidaturen kunnen betwist worden voor de arbeidsrechtbank. De wet maakt daarbij een onderscheid tussen twee mogelijke termijnen. Bepalend is met name of er een interne klacht werd ingediend. Als er geen klacht werd ingediend, mag immers alleen de werkgever een beroep instellen. De werkgever zal dit bovendien moeten doen binnen een kortere tijdsspanne.

De werkgever moet uiterlijk op dag X+40 (die valt in de periode die loopt van 22 maart tot en met 4 april 2020) de kandidatenlijsten aanplakken. Nadien kan een werknemer of een vakorganisatie een klacht indienen tegen de lijst, uiterlijk op dag X+47 (die valt in de periode die loopt van 29 maart tot en met 11 april 2020).

De nieuwe, eventueel aangepaste lijsten zullen worden aangeplakt uiterlijk op dag X+56 (die valt in de periode die loopt van 7 tot en met 20 april 2020). De betrokken werknemers of hun syndicale organisaties kunnen vervolgens een beroep instellen bij de arbeidsrechtbank, uiterlijk op dag X+61 (die valt in de periode die loopt van 12 tot en met 25 april 2020). De arbeidsrechtbank moet een vonnis vellen binnen de 14 dagen die volgen op de dag van ontvangst van het beroep.

Ook de werkgever kan een beroep instellen, namelijk wanneer hij van oordeel is dat de kandidaturen of lijsten niet aan de wettelijke voorwaarden voldoen. Hij moet een dergelijk beroep instellen uiterlijk op dag X+52 (die valt in de periode die loopt van 3 tot en met 16 april 2020) indien er geen klachten zijn van de werknemers of een vakorganisatie betreffende de voordracht van kandidaten. De werkgever zal dit beroep echter pas uiterlijk op dag X+61 moeten instellen indien een dergelijk klacht wel voorhanden is. De arbeidsrechtbank spreekt zich in principe uit binnen de 14 dagen volgend op de ontvangst van het beroep.

Tijdens de sociale verkiezingen van 2016 werden zeer veel beroepen ingesteld tegen kandidaturen die als onregelmatig of abusief werden beschouwd.

De vierde betwistingsronde

Nadat de verkiezingen voorbij zijn, kan zich nog een vierde betwistingsfase voordoen. Elke werknemer of vakorganisatie kan een beroep instellen uiterlijk op dag Y+15 (die valt in de periode die loopt van 26 mei tot en met 8 juni 2020) om het resultaat van de verkiezingen te laten verbeteren of om de verkiezingen te doen nietig verklaren. De arbeidsrechtbank moet zich uiterlijk op Y+69 (die valt in de periode die loopt van 19 juli tot en met 1 augustus 2020). Bij wijze van uitzondering op wat geldt voor de andere betwistingsrondes, kan dit vonnis wel het voorwerp uitmaken van hoger beroep voor het arbeidshof. Dat moet worden ingesteld uiterlijk op dag Y+84 (die valt in de periode die loopt van 3 tot en met 16 augustus 2020). Het arbeidshof moet zich vervolgens uitspreken binnen de 75 dagen die volgen op de uitspraak van het vonnis van de arbeidsrechtbank.

Olivier Wouters

Advocaat-vennoot Claeys & Engels

Wie meer wil lezen en het volledig plaatje wenst te zien, kan zich verdiepen in het boek Sociale verkiezingen 2016 – Overzicht van rechtspraak (H.-F. LENAERTS en O. WOUTERS).

Strada lex is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Larcier