<h2>Eenieder wordt geacht <strong>Strada lex</strong> te kennen</h2>

Strada Staatsblad

Terug naar resultatenlijst
26/10/2018

2018-10-26 - Besluit van de Vlaamse Regering houdende diverse bepalingen over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid. - B.S. 2019-01-09


VLAAMSE OVERHEID

26 OKTOBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende diverse bepalingen over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid



DE VLAAMSE REGERING,
Gelet op het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, artikel 15, § 1, eerste lid en vierde lid en § 2, tweede lid, artikel 19, eerste en tweede lid, artikel 21, § 1 en § 2, artikel 24, § 2, tweede lid, § 3, artikel 8, § 4, vierde lid en § 5, vierde lid, artikel 25, § 2;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 24 september 2018;
Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 22 mei 2018;
Gelet op advies 63.603/1 van de Raad van State, gegeven op 22 juni 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;
Na beraadslaging,
Besluit :
HOOFDSTUK 1. - Definities
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° bestuurlijke maatregel: een maatregel als vermeld in artikel 24, § 1, van het decreet van 15 juli 2016;
2° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekende brief;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
3° bevoegde administratie: het Agentschap Innoveren en Ondernemen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2005 aangaande het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
4° decreet van 15 juli 2016: het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
5° departement: het Departement Omgeving, vermeld in artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
6° gewestelijk toezichthouder: een gewestelijk toezichthouder als vermeld in artikel 15, § 1, van het decreet van 15 juli 2016;
7° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie.
HOOFDSTUK 2. - Toezichthouders
Art. 2. De leidend ambtenaar van de bevoegde administratie is bevoegd om gewestelijk toezichthouders aan te wijzen.
De leidend ambtenaar van de bevoegde administratie kan de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid delegeren tot op het meest functionele niveau.
Art. 3. De toezichthouder draagt een legitimatiebewijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden.
Art. 4. De minister kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het verslag van vaststelling, vermeld in artikel 15, § 2, van het decreet van 15 juli 2016.
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke handhaving
Art. 5. De leidend ambtenaar van de bevoegde administratie wordt aangesteld als ambtenaar als vermeld in artikel 19, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016.
De leidend ambtenaar van de bevoegde administratie is bevoegd om andere ambtenaren van de bevoegde administratie aan te stellen als ambtenaar zoals vermeld in het eerste lid.
De leidend ambtenaar van de bevoegde administratie kan de bevoegdheid, vermeld in het tweede lid, delegeren tot op het meest functionele niveau.
Art. 6. De gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling, vermeld in artikel 21, § 1, van het decreet van 15 juli 2016, worden gericht aan het departement.
Art. 7. De leidend ambtenaar van het departement wordt aangewezen als de ambtenaar, vermeld in artikel 21, § 2, van het decreet van 15 juli 2016.
De leidend ambtenaar van het departement is bevoegd om andere ambtenaren van het departement aan te stellen als ambtenaar als vermeld in het eerste lid.
De leidend ambtenaar van het departement kan de bevoegdheid, vermeld in het tweede lid, delegeren tot op het meest functionele niveau.
HOOFDSTUK 4. - Bedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete
Afdeling 1. - Basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete
Art. 8. De aard van de inbreuk bepaalt het basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete.
Voor elke inbreuk op artikel 11, eerste lid, 1°, van het decreet van 15 juli 2016 wordt een basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete van 500 euro opgelegd.
Voor elke inbreuk op artikel 11, eerste lid, 2°, van het decreet van 15 juli 2016 wordt een basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete van 500 euro opgelegd.
Voor elke inbreuk op artikel 11, eerste lid, 3°, van het decreet van 15 juli 2016 wordt een basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete van 150 euro opgelegd.
Voor elke inbreuk op artikel 11, eerste lid, 4°, van het decreet van 15 juli 2016 wordt een basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete van 150 euro opgelegd.
Voor elke inbreuk op artikel 11, eerste lid, 5°, van het decreet van 15 juli 2016 wordt een basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete van 150 euro opgelegd.
Voor elke voortzetting van kleinhandelsactiviteiten die in strijd zijn met een stakingsbevel als vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 4, onderafdeling 2, van het decreet van 15 juli 2016, wordt een basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete van 500 euro opgelegd.
Afdeling 2. - Correctie van het basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete
Art. 9. § 1. Het basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete, vermeld in artikel 8, wordt vermenigvuldigd met elke correctiefactor die van toepassing is als vermeld in artikel 10.
De bedragen die conform paragraaf 1, eerste lid, verkregen worden, worden opgeteld.
§ 2. Overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van het decreet van 15 juli 2016, bedraagt de exclusieve bestuurlijke geldboete maximaal 10.000 euro.
§ 3. Conform artikel 19, derde lid, van het decreet van 15 juli 2016 wordt het bedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete vermenigvuldigd met de opdeciemen, vermeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten.
§ 4. Het basisbedrag dat van toepassing is voor elke voortzetting van kleinhandelsactiviteiten die in strijd zijn met een stakingsbevel als vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 4, onderafdeling 2, van het decreet van 15 juli 2016, wordt niet gecorrigeerd met correctiefactoren.
Art. 10. De correctiefactoren worden bepaald op basis van de omvang, de ernst en de frequentie van de inbreuk.
Het basisbedrag van de exclusieve bestuurlijke geldboete, vermeld in artikel 9, wordt vermenigvuldigd met de volgende correctiefactoren:
1° de omvang van de inbreuk:
a) oppervlakte:
1) als het gaat om een inbreuk op artikel 11, eerste lid, 1°, van het decreet van 15 juli 2016, is de correctiefactor gelijk aan (de niet-vergunde handelsoppervlakte, uitgedrukt in m2, gedeeld door 400) plus 1;
2) als het gaat om een inbreuk op artikel 11, eerste lid, 2°, van het decreet van 15 juli 2016, is de correctiefactor gelijk aan (de niet-vergunde handelsoppervlakte, uitgedrukt in m2, gedeeld door 400) plus 1;
3) als het gaat om een inbreuk op artikel 11, eerste lid, 3°, van het decreet van 15 juli 2016, is de correctiefactor gelijk aan (de niet-vergunde handelsoppervlakte, uitgedrukt in m2, gedeeld door 400) plus 1;
4) als het gaat om een inbreuk op artikel 11, eerste lid, 4°, van het decreet van 15 juli 2016, is de correctiefactor gelijk aan (de niet-vergunde handelsoppervlakte, uitgedrukt in m2, gedeeld door 400) plus 1;
5) als het gaat om een inbreuk op artikel 11, eerste lid, 5°, van het decreet van 15 juli 2016, is de correctiefactor gelijk aan (de niet-vergunde handelsoppervlakte, uitgedrukt in m2, gedeeld door 400) plus 1;
b) ligging:
1) als de plaats van de inbreuk zich bevindt binnen een door een ruimtelijk uitvoeringsplan afgebakend winkelarm gebied, is de correctiefactor gelijk aan 4;
2) als de plaats van de inbreuk zich bevindt buiten een door een ruimtelijk uitvoeringsplan afgebakend winkelarm gebied, is de correctiefactor gelijk aan 0;
2° de ernst van de inbreuk:
a) als de overtreder de handhaving actief tegenwerkt, is de correctiefactor gelijk aan 6;
b) als de overtreder nalaat de opgelegde bestuurlijke maatregelen uit te voeren, is de correctiefactor gelijk aan 3;
3° de frequentie van de inbreuk: de correctiefactor is gelijk aan het aantal voorgaande vastgestelde feiten.
Afdeling 3. - Seponering van de exclusieve bestuurlijke geldboete
Art. 11. De ambtenaar, vermeld in artikel 19 van het decreet van 15 juli 2016, kan de exclusieve bestuurlijke geldboete seponeren als:
1° er geen inbreuk kon worden vastgesteld;
2° de identiteit van de overtreder niet kon worden vastgesteld;
3° de overtreder is overleden;
4° de inbreuk is verjaard;
5° de toestand intussen is geregulariseerd of hersteld;
6° er een minnelijke schikking is getroffen met een belanghebbende of met de overtreder.
Art. 12. De ambtenaar, vermeld in artikel 19 van het decreet van 15 juli 2016, legt altijd een exclusieve bestuurlijke geldboete op voor een voortzetting van kleinhandelsactiviteiten die in strijd zijn met een stakingsbevel als vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 4, onderafdeling 2, van het decreet van 15 juli 2016.
HOOFDSTUK 5. - Bestuurlijke maatregelen
Art. 13. Een afschrift van het bestuurlijk besluit, vermeld in artikel 24, § 1, van het decreet van 15 juli 2016, wordt met een beveiligde zending verzonden naar de gemeente waar de handelingen hebben plaatsgevonden en naar de ambtenaar, vermeld in artikel 19, eerste lid, van het voormelde decreet.
Art. 14. Tegen het bestuurlijk besluit, vermeld in artikel 24 van het decreet van 15 juli 2016, kan degene aan wie de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd, beroep aantekenen bij de minister. Het beroep wordt ingediend met een beveiligde zending bij de minister, op het adres van de bevoegde administratie.
Art. 15. De minister kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het verslag van uitvoering, vermeld in artikel 24, § 4, van het decreet van 15 juli 2016.
Art. 16. § 1. Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in artikel 23, § 2, van het decreet van 15 juli 2016, worden meegevoerd en opgeslagen, maakt, al naargelang het geval, de gerechtsdeurwaarder of de gewestelijk toezichthouder daarvan een proces-verbaal op. Een afschrift wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had en, als dat een andere persoon is en als die bekend is, aan de rechthebbende.
§ 2. De bevoegde administratie zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende. De bevoegde administratie is bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten van bewaring zijn voldaan.
§ 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen drie maanden na de meevoering worden opgeëist door de rechthebbende, is de bevoegde administratie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop naar haar oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
De termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, hoeft niet te worden afgewacht zodra de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan evenwel nooit plaatsvinden binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift, vermeld in paragraaf 1, tenzij het gevaarlijke stoffen of stoffen die onderhevig zijn aan bederf, betreft.
Art. 17. § 1. De overtreder of de belanghebbende dient de aanvraag tot minnelijke schikking, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 4, onderafdeling 4, van het decreet van 15 juli 2016, schriftelijk in bij de gewestelijk toezichthouder met een beveiligde zending.
De overtreder of belanghebbende die de gewestelijk toezichthouder verzoekt om een minnelijke schikking, maakt gebruik van het daarvoor bestemde aanvraagformulier waarvan het model kan worden vastgesteld door de minister.
De gewestelijk toezichthouder die een aanvraag ontvangt, brengt de ambtenaar, vermeld in artikel 19, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016, binnen dertig dagen na het ontvangen van de aanvraag, hiervan op de hoogte.
§ 2. De aanvraag tot minnelijke schikking bevat op straffe van onontvankelijkheid de volgende stukken, inlichtingen en gegevens:
1° de voor- en achternaam en de woonplaats of de maatschappelijke benaming en zetel van de aanvragers;
2° de hoedanigheid waarin de aanvragers optreden en hun rechten op het perceel of op de constructies;
3° de voor- en achternaam van alle personen die zakelijke rechten hebben op het goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft;
4° de kadastrale identificatie van het onroerend goed;
5° een beschrijving van de feiten en het voorwerp van het herstel;
6° een beschrijving van de voorgestelde wijze van het herstel;
7° de handtekening van de aanvragers of hun raadsman.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 bevat de aanvraag tot minnelijke schikking de volgende stukken, inlichtingen of gegevens:
1° het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvragers;
2° een genummerde lijst van al de bijgevoegde stukken, vermeld in paragraaf 2, en deze paragraaf.
§ 4. De gewestelijk toezichthouder die een aanvraag ontvangt, gaat na of de aanvraag volledig en regelmatig is.
Als de aanvraag niet volledig en regelmatig is, kan de gewestelijk toezichthouder, per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
§ 5. Het resultaat van het ontvankelijkheidsonderzoek wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de aanvraag tot minnelijke schikking is ingediend hetzij na de ontvangst van de aanvullende stukken en gegevens.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
Art. 18. In uitvoering van artikel 59, 2°, van het decreet van 15 juli 2016, treedt artikel 15 tot en met artikel 27 van het decreet van 15 juli 2016 in werking op 1 oktober 2018.
Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 1 november 2018.
Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 26 oktober 2018
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport,
Ph. MUYTERS
De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw,
J. SCHAUVLIEGE



Strada lex is door DBiT ontwikkeld, een dochteronderneming van Larcier